Posts tonen met het label aangepaste auto. Alle posts tonen
Posts tonen met het label aangepaste auto. Alle posts tonen

maandag 3 december 2012

Het was in de periode dat ik in verwilderde toestand winkels binnenliep.



Omdat Ties op zijn derde nog geen poging deed tot lopen en ik inmiddels hoogzwanger was, bezochten we de Mega Prénatal voor een dubbele wandelwagen. We hadden makkelijk via de verzekering een speciale buggy kunnen aanvragen. Maar voor de ongetwijfeld oergezonde baby die ik ging krijgen, wilde ik per se een gewone wagen.

Ik had me er enorm op verheugd. Voor de geboorte van Ties had ik niet zelf een wandelwagen uitgekozen. En inmiddels zat hij in een spuuglelijk aangepast geval. Dus dit keer ging ik voor mooi. Voor design. Voor een hippe kleur. Eentje die je met je pink een sierlijke draai van 360 graden kon laten maken. 

Zo'n dubbele kar is tot vier jaar, Ties was 3,5. Maar ach.
"U weet dat het eigenlijk tot vier jaar is?" sprak de verkoopster terwijl ik Ties met mijn dikke buik in een wandelwagen sjorde nog voordat iemand mij kon vertellen dat het geen zin had.
Ties raakte met zijn hoofd het dakje.
"Dan halen we dat zonnescherm er toch gewoon af?" probeerde ik.
"Over een half jaar past hij er niet meer in schatje," zei Remco.
Inmiddels had ik Ties al overgeheveld naar een model zonder dakje.
Zijn hoofd stak er triomfantelijk bovenuit.

Het was in de periode dat ik in verwilderde toestand winkels binnenliep en vanuit de ingang “HEBBEN JULLIE ZWANGERSCHAPSDINGEN?” riep omdat ik niet op het woord voedingsbeha kon komen. Om vervolgens in huilen uit te barsten als ik mijn maat niet vond. Ik was, kortom, niet echt voor rede vatbaar. Toch moest ik nadat ik álle modellen uit het Mega Prénatal-magazijn had laten halen, toegeven dat het 'm niet ging worden, die dubbele kar. Jaloers keek ik naar aanstaande moeders die verrukt met hun pink de draaicirkel uitprobeerden en een kleur uitkozen.

Uiteindelijk werd het de 'Special Needs Jogger' uit een revalidatiewinkel. Een onhandige joekel van een wagen die door geen enkele deur kon maar waar Ties nog twee jaar in paste. Wat nodig was want zijn broer besloot als laatste van zijn klas te gaan lopen.

Natuurlijk was het niet zo erg als ik dacht, om mijn gezonde kind in een speciale kar te vervoeren. Dat zie ik inmiddels ook wel in. We hebben leuke foto's overgehouden aan de grote rode kar met de vrolijke broertjes. Toch moest ik er deze week weer even aan denken. Toen we voor het eerst naar een grote, lelijke rolstoelbus keken.

woensdag 10 oktober 2012

Heren w.c.






“Mijn oppas is ziek,” mail ik naar een vriendin.
 “Bij de mijne is een agressieve tumor ontdekt. Erg hè?”
“Ja erg,” mail ik terug, terwijl ik alvast een ‘nieuw bericht’ open naar een andere vriendin.
“Mijn oppas is ziek!” Ik zet er dit keer een uitroepteken bij.
“Jee wat vervelend. Ik mail je later, moet nu snel naar relatietherapie!!!!”

Voor compassie hoef je niet bij vriendinnen te zijn, besluit ik. Gelukkig is er één persoon die mij per definitie zielig vindt. Mijn moeder. Naast medelijden biedt ze praktische hulp, zodat ik uiteindelijk slechts één oppasloze dag heb te overbruggen. Dat moet lukken. Het zijn tenslotte mijn eigen kinderen.


Als we wegrijden voor het uitje van de dag - de Hema, altijd gezellig -  heb ik buikpijn. Als we uit de benauwde lift rollen, heb ik hoofdpijn. Als we aan tafel zitten in het restaurant val ik nog net niet flauw.


"Wat is er?" vraagt Loes.

"Mama is een beetje misselijk."
“O. Wil je mijn taartje snijden?” 
"Mijn rits zit vast!," gilt Rijk er doorheen.
"HAP!," roept Ties, het enige woord naast 'mama' dat hij feilloos uit kan spreken en in de
Hema veelvuldig laat horen.
Hun zinnen komen op mij af als het vervormde stemgeluid van een getuige bij Peter R. De Vries.
“Heeft u een black out?” vraagt een mevrouw in een rode Hema polo en een walm saucijzenbrood.

Niet veel later zit ik op handen en knieën voor de w.c. "De heren w.c.!" laat een morsige Hema bejaarde mij weten vanuit de halfopen deur.
"Wie geeft Ties nou HAP'?” jammer ik zachtjes. Ik verwacht dat hij elk moment een spastische schreeuw-aanval krijgt. Dat Rijk z'n dure jas inmiddels aan gort heeft getrokken. En dat Loes door het morsige mannetje is meegelokt naar de speelgoedafdeling.

Niets blijkt minder waar.

 “Uw zoon heeft een glas water gehaald,” vertelt de medewerkster terwijl ik weer naar de tafel strompel.
Loes heeft haar taartje bestekloos naar binnen weten te werken. 
Ties ziet er niet uit alsof hij gegild heeft. En is hij nou wat aan het kauwen? 
“Ik heb hem gevoerd,” zegt Rijk trots.

In de geruststellende wetenschap dat ik zelfs met mijn kop in een wc-pot m'n gezin onder controle heb, wat zeg ik: álles onder controle heb, rij ik naar huis. Daar zwaai ik iets te uitbundig naar de buurvrouw en vliegt mijn sleutelbos uit mijn hand. In de sloot. 

woensdag 5 september 2012

Tien






Ik suis over de D83 in de Dordogne met in mijn achteruitkijkspiegel het vertrouwde beeld van de rolstoel van mijn oudste zoon. Alleen zit hij er niet in.

Wie doet mij wat, wie doet mij wat, wie doet mij wat vandage... klinkt uit de speakers. Ik zing keihard mee. 


Geïnspireerd door de film Intouchables, waarin een onorthodoxe verzorger weigert zijn verlamde werkgever ‘als een paard achter in te laden’, zit Ties – die ik al jaren als een paard achter inlaad - naast mij. Voor het eerst.


“JIHAA!!!” roep ik. "Thelma & Louise!" Ik maak een foto van Ties en rij nog net niet de berm in.

“Ja…” piept hij, overweldigd door het open raam, de nieuwe indrukken en z’n moeder die een beetje raar doet. Maar blij als een kind. Een echt kind in een echte autostoel.
“Wat is dit KICKEN! Dit gaan we vaker doen!”
“JA!” antwoordt Ties, overtuigender dit keer.

Het valt me op hoe groot hij is. En hoe het leven haast lichter lijkt, zonder rolstoel tussen ons in. Opeens snap ik de titel van de film. Ik voel me onaanraakbaar. Onoverwinnelijk. 
Mijn kind van tien dat zonder hulp niet rechtop kan zitten, zit fucking naast me in de auto. Alles kan!

's Middags zijn we in een speeltuintje. Een Nederlandse jongen flirt wat met een Frans meisje. Als hij Ties ziet, komt hij op ons af.
“Aaaaah,” zegt hij. “Aaaah. Hij is gehandicapt hè?"
Ik knik. Het lijkt me vrij onzinnig om dat te ontkennen.
"Zielig,” gaat hij door. “Mijn moeder werkt met zulke kindjes." 
Hij pakt de handen van Ties en zingt 'Klap eens in je handjes, blij blij blij."

Ik wil z'n handen wegslaan. Of nee, ik lieg. Ik wil hem bij de keel grijpen, met zijn kop in het zand duwen en dreigend "Het is klap eens in je handjes MENEER, voor jou" lispelen. 

In plaats daarvan leg ik uit dat Ties alles snapt, een spraakcomputer heeft, gewoon naar school gaat en van Ajax houdt. 
"Hij is tien. Hoe oud ben jij?"
De jongen kijkt me aan. "Ook tien.” Hij laat Ties z'n handen los.

Als we weer alleen zijn, leg ik mijn hoofd in de bruinverbrande nek van de zoon die ik vanochtend nog zo groot vond. Ik adem in. Ik adem uit. Langzaam komt het Thelma & Louise gevoel terug.

"Niemand doet ons wat," fluister ik in zijn oor. "Niemand."