Pas als ik
er echt niet onderuit kom, breng ík de kinderen naar school. Vandaag is zo’n
dag. Mijn auto is breed, de straat is smal dus voor ik het weet, sta ik
ingeklemd tussen een Hummer en een Mini Cooper. Een moeder (Mini) en een vader
(Hummer) kijken me aan alsof ik zojuist hun kind heb doodgereden. De vrouw is
niet van plan achteruit te rijden. De man heft zijn hand naar me op.
Thuis word
ik opgewacht door een onbekende dame.
“Ik
vind u ontzettend asociaal!”
Even denk
ik dat ze aan het verkeerde adres is.
“Ja u ja!
Ja! U parkeert véél teveel naar links!”
Ik heb
geen idee waar ze het over heeft. De parkeerplaats naast de onze staat al 6
jaar leeg. Desondanks parkeren we best braaf binnen de lijntjes.
Ze
luistert niet naar mijn gesputter: “Dit is asociaal gedrag!"
's Middags
heb ik een bespreking op de school van Ties. De auto laat ik voor de zekerheid
thuis. Ik fiets langs onze buurtspeeltuin met z’n zielloze kapot getrapte
doeltjes. Ik stap op het pontje dat er door klagende, ruziënde omwonenden bijna niet was
gekomen. En opeens grijpt het me naar de keel.
Waarom is iedereen zo agressief? Zo gefrustreerd? Is het de crisis? Of ligt het aan mij? Reageer ik overgevoelig op alles wat maar even niet op een facebook like lijkt? Kan ik de harde realiteit niet meer aan?
Waarom is iedereen zo agressief? Zo gefrustreerd? Is het de crisis? Of ligt het aan mij? Reageer ik overgevoelig op alles wat maar even niet op een facebook like lijkt? Kan ik de harde realiteit niet meer aan?
Maar zodra de
schuifdeuren van de mytylschool zich openen, word ik weer rustig. Niet omdat ik
door al die syndroompjes, spierziekten en groeistoornissen het leven weer
relativeer – mijn eigen zoon is er zo ongeveer het ergst aan toe. Ook niet omdat ‘die
kindjes’ altijd ‘zo vrolijk’ zijn - ik weet uit ervaring dat dat niet zo is.
Het is de
sfeer. De sfeer van ‘Ik pik jouw autistische gegil net zoals jij mijn
spastische zwaai voor je muil voor lief neemt’. Van ‘Moet je er langs met je
mini rollator? Prima joh, ik strompel wel even opzij op m’n spalkjes.’ Ik
wentel me in deze enclave van volwassenen die met alles bezig zijn behalve
zichzelf. En van kinderen die genoeg te klagen hebben maar het niet doen.
Bij het weggaan zie ik nog net
hoe Ties buiten met zijn elektrische rolstoel een onbemande driewieler
meesleept. Niemand vindt het erg.

